Op 17 maart 2011 werd Jannes Deprez uit 6B verkozen tot winnaar van de schrijfwedstrijd van het Davidsfonds. De deelnemers kregen deze keer als opdracht een verhaal te schrijven rond het thema ‘milieu en ecologie’. Een welverdiende
eerste plaats voor onze Jannes met een hoogst origineel verhaal met een licht humoristische toets!
Kief, de eendagsvlieg
Ja, eindelijk was het moment daar. Hetgene waar ze al negen minuten naar uitkeken: de baby kwam. En daar lag hij dan. Hun kleine eendagsvlieg. Voor een naam hadden ze al gezorgd: Kief. Kief keek hulpeloos om zich heen.Hij lachte toen hij het gezicht van zijn moeder zag. “Sasa,” zei hij. Sasa betekent mama in het eendags. In het gewone vliegs is dat baba. Maar deze vliegen zijn eendaggers, daarom spreken zij eds. “Wat een schatje,” zei vader. “Kom, we gaan naar huis.” Ze vlogen naar huis met kleine Kief bij zich. Ze woonden in de weg onder een paddenstoel. Hun buur Tor was een strontvlieg en woonde in één van de uitwerpselen van een koe. “Ha,” zie Tor, “daar hebben we mijn eendaagse buren.” De eendagsvliegen keken hem niet-begrijpend aan. Tor sprak immers Vliegs.
Er zijn nu al drie minuten verstreken sinds ze thuiskwamen. Kief werd klaargemaakt om naar het leeter te gaan, kleuter en lager onderwijs gemengd: eendaggers doen alles snel want zij hebben immers maar één dag te leven. “Hop, we gaan,’ zei vader, “straks komen we nog te laat.” Ze vertrokken snel. “Ze zijn weg, eindelijk. Nu kan ik mijn werk doen.” Uit de schaduw van de eik kwam een eeltige, walgelijke, grote spin. De spin is de grootste vijand van de vlieg. De spin begon een web te maken rond de paddenstoel. “Hé, wat is dat daar voor een kabaal?” Tor kwam vanonder de stront vandaan. Toen hij de spin zag, werd hij lijkbleek en ging snel achteruit. De spin kwam dichterbij. Plots riep een stem: “Halt!” Wie was dat? De spin vluchtte weg. “Wie ben jij?” vroeg Tor. “Ik ben Kief,” zei Kief. Er was al een uur verstreken en Kief was bijna volwassen: hij was een uur en negenenvijftig minuten. Eendaggers waren bij twee uur volwassen. “Kief,” zei Tor, ”maar ben jij dan de zoon van de eendaggers die naast mij wonen?” “Woonden,” zei Kief, “We zijn verhuids.” “Maar, hoe kun jij mij verstaan,” vroeg Tor. “Op school heb ik Vliegs geleerd,” zei Kief. “Nu studeer ik voor vliegaat, dat is een soldaat.” “Kief,” zie Tor, “bedankt voor het wegjagen van die spin. Je bent een held. Als ze jou niet aannemen, dan weet ik het ook niet meer.” Blozend vloog Kief terug naar huis. Maar thuis wachtte hem een schok. Zijn moeder zat huilend in het gras. Voor haar lag de spin die Kief weggejaagd had. Hij was dood, net zoals de vlieg naast hem. Die tweede herkende Kief direct. Het was zijn vader. Hij zat helemaal onder het spinnenweb. “Vader,” riep Kief, “nee, het is niet waar, kom terug!” “Snik, Kief, er is niets aan te doen. Hij wordt over twintig seconden begraven.”
Twintig seconden later was het zo ver. Iedereen was er: Tor, kabouter Spillebeen die steeds van hun paddenstoel viel. Er was zelfs een liedje over gemaakt. En dan waren er ook nog veel gasten die Kief niet kende. De mis was veel te plechtig, zo had zijn vader het vast nooit gewild en hij duurde te lang: twintig seconden! Toen ze thuis kwamen was het alsof die minuut toch nog leuk kon worden, want Kief was twee uur. “Mama,” riep Kief, “ik ben volwassen!” “Jongen, je mag alleen gaan wonen.” En dat deed Kief. Maar onderweg naar zijn nieuwe huis ontmoette hij het meisje van zijn leven: Elie. “Hé Elie,” riep hij. “Ja?” “Wil jij met mij trouwen?” vroeg Kief. Elie keek hem aan. Dan zei ze:”Ja!”. Twee seconden later stonden ze voor het altaar en werden ze gehuwd. Na het trouwfeest gingen ze een huis zoeken, maar daar deden ze lang over. Ze deden er eenendertig minuten over, want geen enkel huis was zoals ze in gedachten hadden tot ze een mooie boom ontdekten en allebei dachten: “Dit is het !” En dat werd hun huis. Maar hun buur was een everzwijn en dat bracht de nodige en onnodige stank mee. Hij leek trouwens meer op een zwarte kroket. Toen kropen er weer vijf zalige en soms stinkende uren voorbij. Maar toen plots werd er in hun huis gegild: “Ja, aah, hij komt! Help! Snel!” Iedereen schrik zich rot, maar toen bleek dat het een bevalling was. De baby was schattig, het was een meisje. Ze werd Varia genoemd, eendaggers geven rare namen. En de uren verstreken. Varia werd groot en kreeg een Kind: Carolus, een jongen. Ook hij groeide op en werd vader. Maar toen zijn zoon een uur was, werd hij doodgemept. Toen Kief drieëntwintig uur was en hij nog maar één uur te leven had, riep hij zijn familie bijeen. “Dag Carolus, fijn dat je er bent.” “Hey Kras, hoe is het?” Kras was de nieuwe zoon van Carolus. “Hoe gaat het, Varia ?” “Beste familie en vrienden, mijn einde is gekomen. Ik ga sterven en heb al een begrafenis geregeld. Nog één minuut en ik ben vierentwintig uur. Vaarwel!” “Vader, nee, blijf! Alsjeblieft.” “Opa!” “Gaga epit sees!” Dat betekent: overgrootvader doet raar! Toen viel Kief neer. Hij werd met grote eer begraven als moedigste eendagger en de eerste vlieg die een spin verjoeg.
Jannes Deprez, Centrumschool Kuurne, 6B (schooljaar 2010 – 2011)


